Portfolio 

Arts/Science: Academy Honours Programme for Young Artists and Scientists

@ KNAW

Producer Fine Art @AKV. St. Joost

Teacher & Coordinator @Fontys Hogeschool voor de Kunsten

Moderator / Curator @PARK

Freelance Writer @Metropolis M

& Jegens en Tevens

& Kunsthuis SYB

Freelance Researcher @Gastatelier Leo XIII

& Akademie van Kunsten

M.A. Graduate @Tilburg University

B.A. Graduate @AKV St. Joost

Please feel free to contact 

lizavoetman@gmail.com

 

Current project:

24x24

See: publication

 

//

Articles

February, 2017

Diggit Magazine, Tilburg University

Recently, artistic 'theme years' have been widely represented in public spaces within The Netherlands. It is a good development, but there is one potential complication. The theme year should avoid the turning point of becoming public entertainment: so far, the 2017 organisation of Mondrian to Dutch Design succeeds in doing so.

April, 2017

Metropolis M

 

Door into the Dark is geen documentaire of theaterstuk waar je als een toeschouwer naar kijkt. Het is een immersieve installatie waarin jijzelf de hoofdrol speelt. Tijdens het lopen door een labyrint staat niets dan de eigen aanwezigheid centraal. Al je zintuigen worden volledig geprikkeld, alleen niet het zicht. De installatie is gemaakt door het Britse duo ANAGRAM (Amy Rose en May Abdalla) die door de verweving van technologie en documentaire een fysieke ervaring vormen. Zoals ze zelf zeggen: ‘A blindfolded journey into the psychology of being lost.’ 

May, 2017

Metropolis M

'Neem de rechterdeur aan het einde van de lange gang, hier om de hoek’, vertelt de receptioniste van de Cacaofabriek me na mijn binnenkomst in Helmonds’ hoge, monumentale gebouw. De gang leidt me naar een met zon belichte ruimte. Wit. Het eerste woord dat in mijn hoofd naar boven komt. Wit. En daarna zwart. De eerste aanblik in de ruimte maakt het contrast tussen deze twee centrale spelers, als licht en donker, zonneklaar. Kantelpunt 1, een expositie van de kunstenaars Karin van Dam en Robbie Cornelissen, laat je als kijker onderdompelen in een installatie die de ruimte zelf lijkt op te slokken, als roetwolken uit de schoorsteen die de blauwe buitenlucht in worden verspreid. De expositie voert je mee in een decor van lijnen en materialen, lineaire en organische vormen.

August, 2017

Metropolis M

 

In deze zomerserie trekken we komende weken de stad uit, op weg naar tentoonstellingen en evenementen die zich voltrekken op en om buitenplaatsen. Vandaag een bezoek aan Buitenplaats Kasteel Wijlre te Limburg.

October, 2017

Metropolis M

 

Mijn zondagmiddagbezoek aan de tentoonstelling Nacht en Dag, getoond in het Tilburgse’ Park, kan in één woord beschreven worden: beklemmend. Park exposeert een selectie werken uit de nalatenschap van kunstenaar Jaap de Vries (1959-2014), omschreven als ‘de schilder van leven en dood’. In twee ruimtes, die door een hoge wand van elkaar gescheiden worden, word je ondergedompeld in de schaduwenwereld van het menselijke bestaan. De eerste ruimte wekt de impressie van een atelier. De tweede ruimte toont grote, aan de wand gehangen schilderijen. Holle ogen staren je aan. 

December, 2017

Metropolis M

Afgelopen weekend opende de tentoonstelling People are nowhere near so fluid van Janina Frye bij Onomatopee in Eindhoven. Freye’s solo is één van de vier tentoonstellingen die deel uitmaakt van het overkoepelende programma SENSE & SENSIBILITY, met de catchy ondertitel What a girl wants – what a girl needs, gecureerd door Pernilla Ellens. In woord en beeld onderzoekt Sense and Sensibility onze hedendaagse omgang met feminisme. Het programma biedt: 'A platform for various artists and writers, to explore contradictions and oppositions by reflecting upon gender issues, contemporary girlhood and object-subject relations', aldus de website van Onomatopee. Voorafgaand aan de opening, word ik door Frye en Ellens ontvangen in ‘The Girls’ Room’; een roze tl-belichtte slaapkamer die fungeert als collectief startpunt, groepsexpositie én ontmoetingsplaats van het project. We nemen plaats rondom het centrale bed in deze archetypische ‘meisjeskamer’.

February, 2018

Metropolis M

Bij binnenkomst in de hoge ruimte tref ik een lange, grijze streep. De streep is horizontaal op de muur geschilderd en beweegt zich mee met de hoeken van de kamer. De streep voert je als toeschouwer langs een verhaal. Dit verhaal keert zo’n 35.000 jaar terug in de tijd en is vormgegeven als een slakkenhuis dat zich opkrult tot haar binnenste: de hoeken van de kamer worden nauwer en de ruimte om je heen verdwijnt. Op de streep zijn twee onder elkaar geplaatste rijen te onderscheiden: een bovenste rij met 139 zelfstandige werken en een onderste rij met informatie afkomstig van het blog. Op het blog tonen genodigde kunstenaars al vanaf 2013 hun verwantschap met een collega kunstenaar - ofwel inspirator - die helaas niet meer onder ons is, maar altijd centraal zal blijven staan in zijn/haar kunstenaarschap (zoals de titel stelt: Niets dan goeds over de doden). Ook hier, in deze fysieke ruimte, wordt enerzijds duidelijk dat de kunstenaar in een eeuwenoude traditie staat- en altijd zal blijven staan (beïnvloeding en inspiratie zijn doorlopende processen), anderzijds berust 139 X Nothing But Good juist op een open vraag. Alle kunstenaars die een bijdrage aan de blog hebben geleverd zijn uitgenodigd om een werk op A4 formaat te maken, onafhankelijk van de blogbijdrage. Een A4tje, zónder lijst.

September, 2018

Metropolis M

De vandaag te openen tentoonstelling Robot Love is het hoofdonderdeel van een door de Stichting Niet Normaal georganiseerd evenement dat een aanvang nam met de Robot Love Ambassade tijdens de Dutch Design Week 2017, en verder bestaat uit een website, een blog waarop gechat kan worden met robot PIP (‘a bot that likes to learn about love’), en een begin deze maand gepresenteerde publicatie. Robot Love is een tentoonstelling die op geheel eigen wijze wil vertellen over de liefde tussen mens en robot. In vijftig kunstwerken wordt op allerlei manieren ingegaan op de vraag wat het betekent om mens te zijn in een wereld vol artificiële intelligentie (AI) en robotica. Hoe kunnen wij robots, als nieuwkomers in deze wereld, liefhebben en leren opvoeden? En wat betekent dit voor ons als mens? Net als bij eerder projecten van Niet Normaal wil de stichting een publiek debat initiëren. ‘We willen nog niet te veel prijsgeven over deze expositie, maar er spreekt een affirmatieve benadering van de intieme relatie tussen robot en mens uit’, aldus Daniël Bouw, hoofd communicatie.

Margriet van Breevoot

December, 2018

Metropolis M

Met licht, kleur en ruimte, wordt in het werk van Ann Veronica Janssens een spel gespeeld met waarneming en werkelijkheid. In haar eerste grote Nederlandse solo creëert ze een ruimte vol kleurrijke mist die je de moed geeft mentaal los te durven laten. Eenmaal buiten schreeuwt de realiteit je confronterend tegemoet, maar zie je scherper dan voorheen.

‘Je wacht op mijn sein in de mistvrije ruimte. Pas daarna mag je de tweede deur openen’, vertelt een suppoost van museum De Pont. We staan achter elkaar in een keurige rij. Twee aan twee mogen we de ruimte betreden. Na enkele seconden in de tussenruimte lopen we verder, de mist tegemoet. De suppoost achter ons waarschuwt nog snel voor natte schoenen, verzekert ons niet te gaan breakdancen en wijst ons op de muren, als handvatten voor het zoeken naar de uitgang. Eenmaal binnen in Blue, purple and orange (2018) zie je niks. Een zachte mist is overal en als enige aanwezig. Kijkend naar je handen en voeten, lichaamsdelen waar je vaag op scherp kunt stellen, begeef je je in een extase van kleur. Hoe ver je kunt lopen is onduidelijk, maar langzaam onderscheid je in de verte een schim en kun je een plafond herkennen. Ondanks het verdere niks en een onbestemd gevoel, krijg je als mens weer een beetje controle terug. Je dwaalt van blauw in paars en oranje en ervaart enkel deze tijdelijke roes.

Februari, 2019

Jegens & Tevens

Vanuit het Stadhuisplein in Eindhoven kijk ik door de etalageruiten van Wallspace. Het is 20 uur en donker op straat. Op het plein wordt door een enkeling nog geskateboard. De glazen doorkijk toont de gehele horizontale as van de expositie. Het felle licht daarbinnen laat mijn ogen samentrekken. Ik wrijf en kijk beter. Achter de ruit een installatie van bierblikjes, abstracte schilderkunst en kleding aan een rek.

L’INVENTION DU QUOTIDIEN, de tweede en tevens een na laatste expositie van curator Pernilla Ellens in deze semipublieke ruimte, plaatst het werk van kunstenaars Bas van den Hurk, Tyrell Kuipersen Guus van der Velden in een verweven decor. De ruimte bevindt zich links van Wall Street, een restaurant-als-kunstwerk waarin je kunt eten en drinken. Waar Wallspace kunst letterlijk toont, is Wall Street een onderzoek naar alternatieve vormen van economie en het inherente begrip waarde. Ik ga in gesprek met de filosofie achter beiden en de huidige expositie die hier op eigenwijze gehoor aan geeft. Aan tafel zitten kunstenaars Bas van den Hurk, Tyrell Kuipers, curator Pernilla Ellens en initiatiefnemer Wall Street Lucas Maassen.

March, 2019

Jegens & Tevens

Op de dag van mijn bezoek is Nederland in rep en roep. Drie vrouwen op straat klemmen zich aan elkaar vast om niet weg te hoeven waaien in de wind, de voorste innig verstrengeld in een omhelzing met lantaarnpaal. Ik bereik het Stedelijk Museum Schiedam met een kapotte paraplu, mijn oren suizen, de lucht rondom dreunt door. Manzoni in Holland toont deze doodnormale lucht als kunstwerk. Het is één van de studieobjecten van de te jong overleden kunstenaar Piero Manzoni (Milaan, 1933-1963). Evenals het licht, onze adem en op zijn minst even alledaags: poep.

April, 2019

Jegens & Tevens

All of old. Nothing else ever. Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better. - Samuel Beckett, Worstward ho (1986)

Het zou hem slechts zestig dagen kosten de Atlantische Oceaan over te varen. In een kleine zeilboot van 12,5 voet begon de Nederlands-Californische kunstenaar Bas Jan Ader zijn reis op 9 juli 1975. Zo’n jaar later werd het wrak van de boot gevonden ergens aan de Ierse kust, de zeemansman verdween voor altijd.

Ader noemde zijn reis ‘In Search of the Miraculous’, een tragische mythe die door grote mysterie (Was het een ultieme overgave aan de krachten van de natuur? Een poging tot romantische zelfdoding? Een ongeluk? Een zoektocht naar het sublieme in de kunsten?) blijft boeien. Sinds decennia is het werk van Ader van grote waarde in het kunstdiscours. Er worden documentaires gemaakt en biografieën geschreven, maar Ader zal vast nooit terugkeren aan land. Ik typ met gefronste wenkbrauwen. Misschien leeft hij ergens nog wel, ‘gevangen’ door zijn gebouwde scene. Maar ook dat is speculeren.

Eén ding moge duidelijk zijn. Er zijn vele perspectieven op de casus-Ader te bieden, en die worden er dus ook geboden. Waar kunstcriticus Jan Verwoert in zijn essay In Search of the Miraculous (2006), opgedragen aan de reis-als-kunstwerk zelf, louter de omstandigheden van de verdwijning zelf analyseert uitgaande van het performatieve karakter van het werk, is de nieuwe documentaire The Man Who Looked Beyond the Horizon(2018) van Martijn Blekendaal eerder een poëtische ode aan de mysterie, het open eind. Blekendaals jeugddocumentaire heeft een IDFA Award 2018 gewonnen en draait momenteel tijdens The Best of IDFA on Tour o.a. in het Tilburgse Cinecitta, daar waar zíjn perspectief op het verhaal mag worden getoond. Ik begeef me hier in een uitverkochte zaal publiek met voornamelijk 40+ers, kijkend naar een jeugddocumentaire die zich richt op kinderen van 9 tot 15 jaar oud.

May, 2019

Jegens & Tevens

Afra Eisma’s work can be described as both autobiographical and energetic. In the realities which she constructs, common stories are told through color and play. Using sculpture, textiles and ceramics Eisma shows an enormous lust for life: stories must be shared and the energy are  being transferred to an audience. Within entering the overload of objects, our personal game starts. While sticking together the pieces of this visual puzzle, the story reveals. In a world that is intoxicated with alienation, exclusion and fear, opening yourself is extremely important, Eisma states.

You are mainly political outside of your work, in other forms than works of art. Can you give us an example of this?

I think it’s important that when you make or do something for political commitment, it must be more important than what you get in return. Ask yourself: what do I really give back to the community you want to address?

Metropolis M

'Dan begrijp ik dat alles verbonden is, dat alle ruimte lucht is. En dat achter een muur een constructie schuilt of een andere ruimte. Dat zijn de aanleidingen om een werk te beginnen.' Liza Voetman is op bezoek in het atelier en tiny house van Margot Zweers.

Op een broeierige zaterdag reis ik naar Breda. ‘Kiss and ride is aan de achterzijde van het station, Belcrum kant. Tot straks!’ Margot Zweers wacht me op in de auto van haar moeder. We rijden onder een felle zon naar haar atelier en tiny house in Terheijden en brengen later die middag een bezoek aan Stedelijk Museum Breda. Hier toont Zweers een installatie die zij voor het hart van het museum maakte, een lichte binnenplaats met grijze muren die niet vierkant blijkt te zijn.

Ik ken Zweers van de academie in Breda. Toen zij in 2012 afstudeerde, begon ik net. In mijn examenjaar, 2015, werd ik door een docent op haar werk The sky will connect us somewhere gewezen, bestaande uit 104 houten boxen met blauwe pigmenten. Ik onderzocht toen zelf ook het blauw van de lucht. Zweers is me altijd blijven fascineren door haar vermogen zich een ruimte toe te eigenen, te herdefiniëren en construeren. Nu jaren later naast haar in deze klamme auto te zitten, voelt ze bijna als een oude penvriendin. ‘Na St. Joost ben ik direct verder gegaan met de master sculptuur aan de Hochschule für bildende Künste in Hamburg’, vertelt Zweers met haar ogen gericht op de smalle weg voor ons. ‘Iedereen studeerde er Beeldende Kunst, in Breda was dat maar een klein groepje.

May, 2019

May, 2019

Jegens & Tevens

At the age of seventeen, Laila Hida moved from Morocco to Paris to study English literature at Sorbonne, as well as communication and journalism. There also arose the deep rooted desire to study cinema; sometime. After twelve years in the French metropolis, Hida decided to go back to Marrakech. Here she founded the project space LE 18, Derb el Ferrane, an multidisciplinary art space with the aim to let people [artists, curators, researchers, the neighborhood] connect, exchange, create and reflect on art and society.

LE 18 opens up dialogue on social issues, as for instance the city space and transformative cultural scene. By bridging imaginary walls, LE 18 avoids conventions and entrenched dogmas constantly, since it’s art’s nature to raise questions: “about our being, our history in the making, our relations to each other’s; our past, our future; about forms of art and dissemination, about art itself, in the sense of what is qualified as art and what is not”, Hida mentions.

February, 2020

Metropolis M

Stedelijk Museum Breda opent de solotentoonstelling Zwaar als een vogel van kunstenaar Sef Peeters op Valentijnsdag. (Gast)curator Rebecca Nelemans en directeur Dingeman Kuilman spreken in hun inleidingsspeeches over Sefs bescheidenheid enerzijds en vastberadenheid anderzijds. Zwaar als een vogel is echter geen compromis te noemen. Het bestaat uit een tiental grote installaties, een minimale hoeveelheid begeleidende informatie en archiefmateriaal in door Berry van Gerwen ontworpen vitrines, zoals Sef dat zelf wilde. Zaalteksten en titelbordjes zouden de aandacht voor het werk volgens Sef enkel afzwakken, omdat zijn werk altijd al door-, als-, of uit tekst bestaat. In plaats daarvan krijg je daarom als bezoeker slechts een bescheiden zaalgids en kleurpotlood mee. Ik vermoed dat vele bezoekers met mij het gebundelde pakketje informatie pas na het verlaten van het museum zullen openen.

 

//

Text Projects

October - December, 2017

Text to celebrate the comeback of 'Play of Advice' at Eindhoven central station in a collaboration with NS, ProRail and the municipality of Eindhoven, called: 'Take a seat on the blue dot!'. This initiative was the result of my thesis on the public artwork 'Play of Advice' for the completion of the master program Art and Culture Studies at Tilburg University. 

August, 2018, August 2019

Metropolis M

2018 - Reviews graduation show Fontys Hogeschool voor de Kunsten (Tilburg).

2019 - Reviews graduation show Willem de Koning Academie (Rotterdam).

August, 2018

Essay

 

In 2014 werd Bikinibar, een negen meter lange sculptuur van Atelier van Lieshout, langs het treinspoor in Lisse verplaatst naar een plek driehonderd meter verderop in het gras. De sculptuur, een vrouw in bikini zonder armen, benen en hoofd, raakte klaarblijkelijk een te zere snaar bij het treinpersoneel en passagiers. De verwijdering van Bikinibar illustreert de opschudding die kunst teweeg kan brengen in het publieke debat, en schetst tevens de externe krachten die de kunsten al vele jaren sterk reduceren. Vooral in de permanente plaatsing van publieke kunstwerken, voor zover dit nog bestaat, is de kunstenaar sterk onderhevig aan externe belangen en doelen. Als het kunstwerk geen economisch gewin oplevert, dan is het wel maatschappelijk, educatief of praktisch – zo betoogde Christiaan Weijts onlangs (2018). Publieke ruimte en kunst is een dialoog waar menigeen al over heeft gesproken, geschreven en gedacht. Juist daarom dat ik antwoord zoek in de kunst die zich hieraan onttrekt, door haar eigen bestaansrecht-als-kunstwerk er niet al te dik bovenop te leggen, maar de confrontatie desondanks in eigen kringen voert.


In de driedaagse happening Kaapstad, een initiatief van Montopinto en onder artistieke begeleiding van Sander van Bussel (Tilburg Cowboys), wordt Bikinibar, van nature een reizend beeld, samen met eenentwintig andere kunstwerken en acts getoond. Onder een collectieve noemer brengen zij een tijdelijke interventie in de binnenstad van Tilburg teweeg, om winkelaars en andere passanten, evenals zichzelf, anders naar de stad te laten kijken. De tijdelijke aanwezigheid van kunst in een sterk bedwongen publiek leefklimaat biedt enerzijds een opening voor noodzakelijke kronkels in het
systeem, en kan worden gezien als een artistieke oplossing voor spel in de luwte. Anderzijds kan er bij werken die neigen naar toegankelijk vermaak, sociale participatie en spel (letterlijk, het ouderwetse ‘Pong’ wordt gespeeld voor de ingang van de McDonald’s), kritisch over artistieke kwaliteit worden gespeculeerd. Kaapstad raakt als casus een essentiële spanning, en zit weken later nog steeds in mijn hoofd. Vraag is hoe het festive aspect van de happening zich verhoudt tot inhoudelijke content, om het publieke debat ook daadwerkelijk te kunnen interveniëren.

 

Terug naar het begin, toen de bedwongen publieke ruimte haar intrede deed, zo rond 1980. Dit was het startschot dat de stedelijke leefomgeving ingericht begon te worden vanuit een grote focus op amusement [shopping centra, horecagelegenheden] en de daarbij groeiende angst voor misdaad en overlast. Veiligheid werd een nieuw codewoord, een heersende ideologie die controle en orde boven wanorde, onvoorspelbaarheid en onverwachte ontmoetingen verkiest. Dat wat niet beheersbaar is, is gevaarlijk. Dit spiegelt zich in de ophef over een ‘ongepast’ beeld op een te ‘schurende locatie’, maar ook in meer algemene zin, zoals de recente invoer van OV in- en uitcheckpoortjes op Nederlandse stations. Waar de publieke ruimte als basisconditie juist diversiteit en de daarbij optredende onvoorspelbaarheid omarmt, blijkt het tegenovergestelde vaak waar. Ongewenst gedrag in de publieke ruimte is zodanig sterk teruggedrongen, dat haar eigenlijke toegankelijkheid en publiekheid helemaal niet zo reëel meer is. Stadsplein of stationshal bannen daklozen van het ‘collectieve podium’ - het laatste nu enkel nog semipubliek.
 

Als je boodschappen gaat doen, weet je dat je van bovenaf wordt bekeken, dat de orde rondom van metaperspectief wordt bewaakt - verstopt achter vele bewakingscamera’s. Het door Foucault geïntroduceerde idee van Panopticon is uiterst voelbaar. Wanneer je voelt dat iemand anders je surveilleert, speel je spontaan, speel je een rol en word je het principe van je eigen onderwerping. Richard Sennet schreef er al in 1974 over. Het publieke domein, waar je de onbekende ‘ander’ zou
kunnen ontmoeten zonder aan klasse of status gebonden te zijn, bestaat in wezen niet echt. Met een grote focus op het Ik, het eigen ego, is het publieke denken uitgewist. We zijn hier geen collectief, maar anonieme individuen. We lopen er doorheen, in plaats van onszelf erin te begeven. De publieke
ruimte als geprivatiseerd domein. Je kunt jezelf afvragen in hoeverre we nog steeds verrast kunnen worden op straat, als we lopen zonder te kijken, doen zonder te voelen. Wat is hier de rol voor kunst, en nog belangrijker: haar speelruimte?

 

Zoals veelal gesteld is de rol voor publieke kunst in directe lijn met bovenbeschreven ideologie te plaatsen. Natuurlijk zijn externe kaders, zoals het in acht nemen van omgevingsfactoren [context, publiek], voor het publieke kunstwerk noodzakelijk; zonder dialoog doet het werk immers niets en is er van artistieke kwaliteit weinig te spreken. Maar met teveel kaders op de autonome ziel van de kunstenaar, buigt het verhaal al snel om. Sociale, politieke en economische druk reduceert de positie van kunst meer en meer tot citydressing of design, amusement of goedkoop vermaak, participerende buurtbemiddeling zonder politieke ondertoon, of het bant het simpelweg van de straat. De ruimte voor artistiek spel is in vergelijking met zo’n dertig jaar geleden dramatisch geslonken. En dat terwijl deze ruimte noodzakelijk is om de gebruikelijke orde in de samenleving te verstoren of herdefiniëren, in plaats van te worden ingezet als impactgerichte, toegepaste en praktische tool.
 

Niet geheel verassend had Van Lieshout aan het treinspoor in Lisse zelf geen zeggenschap. De verplaatsing van het kunstwerk gebeurde gewoon. Het is duidelijk dat hier vooral vanuit een grote angstbril is gekeken, terwijl een goed kunstwerk nog altijd meerdere lagen dekt, je moet ze alleen wel willen afpellen. Nu valt er wat te zeggen over een beeld zonder ledematen en de referentie die conducteurs daarbij hebben, daar wil niemand te lang bij stilstaan, maar dat publieke kunst weinig beweegruimte kent om werkelijk te verstoren in plaats van te bevestigen of gehoorzamen, is een
cruciaal probleem. In 1972 introduceerde de Duitse filosoof en socioloog Jürgen Habermas het moderne begrip public sphere, een metaforisch concept voor het gebied waar vrije discussies en dagelijkse conversaties kunnen worden gevoerd, zonder onderworpen te zijn aan dwang. Door de
opkomst van massamedia en commercie wordt dit gebied, zowel fysiek (park, straat) als virtueel (internet, televisie) aanwezig in ons leven, op retorische wijze beladen met emotie [angst], sentiment en fake news - wat een reëel en sterk debat verschrompelt.

 

Kunst kan hier noodzakelijkerwijs interveniëren, maar moet hiervoor zeggenschap hebben in content en vorm. Dit kan op twee manieren. Het kunstwerk is (1) een noodzakelijke spiegel en/of metafoor van de maatschappij of (2) het biedt een alternatief (toekomst)scenario – moge het dystopisch of utopisch gekleurd zijn. In andere woorden, het biedt óf een realistische weergave-van, óf een denkbeeldige vorm van hoe-het-kan-zijn – of worden. Kaapstad poogt vooral het laatste: het toont dat wat we als vanzelfsprekend aannemen in een stad, ook iets anders kan zijn. Zoals de gratis ansichtkaarten die in Tilburg worden uitgedeeld luiden: “Kaapstad hackt de stad”. Een bijzondere definitie, als je bij hacken aan vernietigen of beschadigen denkt. De tweeëntwintig artistieke manifestaties die zich door het centrum van de stad begeven, vernietigen of beschadigen de stad namelijk juist niet. In tegenstelling handelen zij vanuit een gezonde care, om de stad in waarde te laten, te bevragen, ‘om te draaien’ en vastgeroeste dogma’s te bevechten. Zoals Bax, Gielen en leven schrijven (2015: 19-20): “[…] art that takes place in the city, that positions itself within a city and stakes a stand with
regard to this city, interrupting it where possible, not just hiding in its museums but moving into
its suburbs and slums, does contribute to the constitutions of the public sphere.”


In de publieke ruimte wordt van het kunstwerk een specifieke dialoog verwacht, en iedere plek is hier tevens anders. In het centrum van de stad, tussen beweeglijkheid en chaos, vraagt het kunstwerk vooral om snelle confrontatie: men flaneert en wordt kort uit zijn of haar ritme getrokken. Kaapstad zet die confrontatie op meerdere niveaus in. Zo stelt het ijscohoorn, puntzakfriet- en haringsculpturen van lokale cafetaria en visboeren gelijk aan een gerenommeerd kunstwerk; Bikinibar. De sculpturen zijn, om de grens kunst- leven nog meer op de kast te jagen, voorzien van een tekst met daarop de bekende huisspecialiteit van de friettent vermeld, zoals stoofvlees en glutenvrij ijs. Middels een stalen stellage worden de sculpturen verheven tot een publieke tentoonstelling, om het werk nog net wat meer aanzien te geven. En dat terwijl de romp van Atelier van Lieshout gewoon midden op de Heuvel
ligt, centraal tussen terras, kerk en fontein. Water waant zich hier door de gaten van het lichaam, waar kinderen, die het beeld vanaf een zekere leeftijd kunnen herkennen als meer dan enkel een speeltoestel, in- en uit rennen. Bikinibar en het Museum van de Anonieme Sculptuur hanteren beiden
een glazuurlaag, glimmend in de zon, pastelkleurig en nep, waarbij bevraagd kan worden of ze beiden kunst zijn, of juist niet (meer).


Lopend door de stad luiden de woorden “Het hoort hier niet”, “Dit is toch een sculptuur?” en “Wat hebben ze hier nu weer gedaan?”, zo ook op social media. Stuk voor stuk interessante vragen, die de essentie van Kaapstad raken. Want net als Atelier van Lieshout de vraag of iets kunst is of niet absoluut niet relevant acht, doet het project gewoon. Politiek, ethisch of grappend, de bijdragen in Kaapstad staan vooral in de voetsporen van het Tilburgse ‘niet lullen maar poetsen’, zonder overduidelijke ode aan de stad Tilburg te willen zijn. De grenzen tussen kunst en geen kunst en tussen kaders en geen kaders zijn hier zelf tot onderwerp geworden. Door zich niet ‘boven’ de maatschappij te positioneren en geen verre afstand te creëren, maar zich leesbaar te wanen als truc om de toeschouwer te verleiden, bereikt de happening de nietsvermoedende passant ook daadwerkelijk. Kaapstad is daarmee als een vingerpoppetje: het wikkelt de toeschouwer gemakkelijk om haar vinger, en zal na drie dagen nog blijven naweeën, wanneer men dezelfde ijscosculptuur weer op de stoep van de ijssalon ziet, en een frons in het voorhoofd trekt. Of een glimlach op de lippen laat
krullen. Die glimlach doorbreekt onze gesloten blik voor de onbekende ‘ander’, waar we doorgaans aan voorbij lopen. Maar stimuleert het daarmee ook een inhoudelijk debat?

 

Het relationele karakter van de werken, in velen kun je klimmen, bellen rinkelen of op een andere manier participeren, gaat uit van een grote toegankelijk- en  leesbaarheid. Waar we met mobiel in de hand van winkel naar winkel snellen, laat de happening ons stilstaan. De veelvuldige aanwezigheid van deze korte aanrakingen, tweeëntwintig keer, zorgt voor een kanteling. Men leert deze ervaringen aan elkaar te koppelen. Open participatie is daarbij het vehicle om het onderliggende doel, anders naar de stad te doen kijken, voor een breed publiek te realiseren. Met een grote focus op het amuseren van Tilburg, sluit de happening perfect aan bij de alom ingerichte stedelijke leefomgeving, voorzien van winkels, neonlicht en andere heisa. Kaapstad wordt daarmee een extra activiteit voor op
de zaterdagmiddag, of het nu gaat om het bekijken van plaatselijk beplakte verkeersborden met teksten en emoticons, kauwgumresten in de stadstraten die zijn beschilderd tot minikunst, softijssculpturen of sport work-outs in een hypermoderne Primark. Maar de consequentie van deze tijdelijke happening met een collectieve wens, is dat het zich vooral als gezellig evenement profileert. En kunst en leven zijn niet inherent.


Het kunstwerk moet zich ten alle tijden staande houden als kunstwerk. Neigt de kunstenaar ernaar op praktisch niveau mee te denken in het oplossen van een maatschappelijk, economisch of ecologisch micro ‘probleem’, daar waar kunst helemaal geen problemen op hoort te lossen, verliest het aan
autonomie. Zo camoufleert toegankelijk amusement mogelijk een kritische inhoud. De afsluitende zin in mijn eerste alinea is dan ook licht provocerend. “Juist daarom dat ik antwoord zoek in de kunst die zich hieraan onttrekt, door haar eigen bestaansrecht-als-kunstwerk er niet al te dik bovenop te leggen.” Kunst moet zich onderscheiden als kunst, niet volledig opgaan in haar omgeving, om daar te worden vermomd als iets anders dan kunst. Dit om vanuit een romantisch maar noodzakelijke denkbeweging autonoom en vrij te kunnen zijn. Een moeilijke taak, nu het kunstwerk zich staande probeert te houden in een postmodern domein vol informatie. Dit betekent niet dat het kunstwerk hard moet roepen of provoceren om te worden gezien. Maar de eigen aard van kunst, anders te zijn dan al het andere beeld rondom (fysiek en virtueel), en de diverse artistieke omgangen en invullingen met kunst die allen naast elkaar bestaan, maakt haar voor velen onbegrijpelijk, raar of eng. Als iets dat een kind ook zou kunnen doen, of iets waar publiek geld aan wordt verspild.

 

Tegelijkertijd is kunst zodanig inherent aan het leven, waar zij zich over uit en in bestaat, dat de toegankelijke taal van Kaapstad ook voor veel positieve omgevingsgeluiden zorgt. De centrale focus op participatie en laagdrempeligheid in beeldvorm, wordt door de organisatie vooral ingezet als truc
om het grote publiek voor zich te winnen. Waar de artistieke kwaliteit van kunst kan worden beïnvloed door heteronome krachten, heeft Kaapstad in haar organisatie de gestelde condities intrinsiek bepaald; vastgelegd in een vijfdelig manifest. Met het festijn om de individuele werken heen, maakt de organisatie kunst bewust tot een evenement, een attractie. En door zowel gevestigde als startende kunstenaars en andere makers en denkers onder te brengen in het project, beoogt het tevens geen gerenommeerde kunstshow te zijn. Dit biedt ruimte voor de vraag hoe kunst de opvatting van de publieke ruimte en van publieke kunst zelf kan herinterpreteren.

 

Je zou kunnen zeggen dat het motto what you see is what you get de happening toch maar weinig inhoudelijk over de samenleving laat bezigen en van discussies ontziet, los van het feit dat alles in de publieke ruimte ‘omgedraaid’ kan worden, we hier nog steeds kunnen worden verrast en we ons nog steeds een collectief kunnen voelen in een neoliberale samenleving. Kaapstad is eerder iets anders
dan dat. Belangrijker is het een kritisch statement náár het kunstdiscours, waar de dialoog met de wereld soms erg weinig wordt gevoerd – te verklaren vanuit de schotwonden die kunst in deze samenleving heeft op te vangen en haar daarmee laat terugvluchten naar de veilige haven; het
museum of de galerie. White cube, amen. En daar gaat de happening tegenin. Ho. Stop met jezelf distantiëren en afzijdig wanen, en durf te spreken in de wereld waar je zelf in wilt kunnen bestaan en altijd vanuit zal blijven bestaan. Of dat nu op straat is, of niet. Om het publieke debat te interveniëren, had Kaapstad echter, zoals het in vorm sterk heeft vertegenwoordigd, inhoudelijk een duidelijkere lijn kunnen vormen. De inhoud raakt zoek in omgevingsruis van lachende mensen. En inhoud is meer dan plezier. Wat het wel doet, is interveniëren in het kunstdebat. Waar de eigen behoefte aan autonomie 
de wereld soms buiten spel zet, zet de wereld de kunst hierdoor soms buiten spel. Het probleem
ontstaat hier vanuit twee kanten. Terwijl beiden elkaar nodig hebben.


Waar de publieke ruimte de kunstenaar nodig heeft om van  nieuwe perspectieven te voorzien en tegen het monotone en steriele leefklimaat in te gaan, ‘macdonaldisering’ ten top, heeft de kunstenaar evengoed de publieke ruimte nodig om de samenleving te bereiken. Een kortdurende artistieke schreeuw biedt de ruimte zich los te wurmen van regelgeving, maar de publieke plek blijft onoverkomelijk ingekaderd achter. Toch verschaft Tilburg de tijdelijke ruimte voor artistiek experiment zonder meetbaar effect te beogen, wat het politieke bewegingskader van de stad spiegelt. In een publiek klimaat dat deze (tijdelijke) ruimte jammer genoeg niet biedt, is een artistieke inname van het publieke domein nog altijd een goede optie, in plaats van parkeren uit angst of conformatie. En sla de vele handen in het kunstdiscours wat meer ineen.
 

December, 2018

Presentation OUT OF THE BLUE

Theater De Nieuwe Vorst, Tilburg

2 December, 2018

Text reading (12.02 min) 

 

In October 2017, I was traveling from the Czech Republic to the Netherlands in a crowded bus. Then, I got a call. I couldn’t pick up my phone because of the chaos and the heat, so I replied with a text message. OUT OF THE BLUE originated in that bus, while I gazed at the landscape, somewhere near Prague. A few months later I arrived at the place of destination: a former school building near the Textile Museum in Tilburg, empty, white and high. I placed a table in the middle of the room and a lamp with a large lampshade, and opened my laptop.

Four months later, the research was complete. I gave it the title OUT OF THE BLUE, as something that arises from nothing, just happens, or something that you figuratively pull up from the depth of the blue ocean: arriving on land, your goal somewhere in the distance but already visible to the eye. A research to pull the organization out of a water-well, in which we can keep staring, without actually seeing the bottom. During my four months I was accompanied by two pairs of artists, Rozemarijn de Booij and Emily Huurdeman, who will speak later this afternoon, and Janina Frye and Paul Geelen. This formed the research both theoretically and practically.

OUT OF THE BLUE was intended as a future scenario for the guest studio, arising from the then still prevailing ambiguity within the organization. In four chapters it investigated the internal and external values ​​of Gastatelier Leo XIII for both the city of Tilburg, for the guest, and the overall art discourse, by conducting conversations with similar locations in the Netherlands and Belgium, with the present artists and former residents and with the organization itself. But today, I would like to address one of the most important underlying themes that has emerged from my research: hospitality, as the context of this symposium. With hospitality, I aim at different things, such as the relationship between the host and the guest, the guest and another guest (Leo XIII usually connects artists to other artists, critics or curators) and between the guest and the space, acting from their own autonomy.

Autonomy is highly valued by Gastatelier Leo XIII. The organization offers the guest artist the empty space for a period of four months, enabling them to live and work there and to bring the artistic process (work and artistry) next steps and ways of thinking. The word 'guest' in the concept 'guest studio' immediately refers to the selection procedure

for guest artists: they are invited, instead of having to enroll via an open call. I was asked as a guest myself, sitting in that damp bus in Eastern Europe. It felt like a gift that pulled me out of the rut of my former job in a clothing store. After a few weeks of rolling up pants and zipping jackets, even though I graduated from university that summer, I was intensely fed up.

But also in the free reception of a space like this, one for artistic experiment and research, rut is a predator. In conversations with the organization, it quickly became clear, that the freedom offered to the guest artist, could easily turn into non-commitment. To be able to act free from obligation has repeatedly caused the guest to relate to the space differently than what was desired or expected by the host. In other words, there was a disproportionate commitment.

I would like to elaborate on this point of commitment, because it forms an important basis for the discussion we’ll have today. Moreover, this non-commitment was also felt by  the guest artist: they experiences too little commitment from the host, by whom the space is offered. A certain non-commitment, or non-engagement, therefore occurs from two sides: and is based on the freedom. Freedom is, to conclude, not necessarily hospitable or guest-free.

This ​​tension can be traced back to the concept of autonomy. The guest studio does not want to impose any restrictions on the artist, precisely because the place offers a space for experiment. Experiment should also mean that something can fail or stagnate, but the organization wants to grow as a place too. Not in the way of physical growth, but growth in terms of identity and visibility, for the desired dialogue and exchange of knowledge in and with the art discourse - to which we are responding today. With a noncommittal interaction with the space from the side of the guest artist, this growth possibly stagnates. This forms the non-commitment as experienced by the host. Vice versa, the guest experiences too little grip from the organization based on their own identity as a small art space, and too little involvement in their artistic process. In this way they does not know where they has to relate to for four months. This makes the working period unclear and its process may even 'fail'. At the other hand this failure should belong to the options of a guest studio too. Because, in contrast to an institutionalized art context, a small guest studio provides this opportunity for doubt and experiment. And this never provides certainty.

When an expectation is not pronounced but does exist, disappointment occurs. The feeling of disappointment means that the unconditionally reserved space for autonomy and freedom, to some extent, does not really exist. Otherwise, there would be no disappointment, no expectations, and the host’s desire to grow would not exist. But that desire does exist. That makes Gastatelier Leo XIII a special place: their need to defy their identity and to open it up for change. And this is why they have great expectations from the guest artist, as the main person who is able to fulfill their wish for growth, simply because of their presence and working process in the physical space of the studio.

A solution lies in mutual commitment, or: taking-care, which Anthony Huberman describes in detail. He states that we should not focus on the ‘what’, but on the ‘how’. It is not about what we do, but how we do it. Give a book, instead of just mentioning the title. The manner in which the host treats the guest will be taken over by that guest: and translated into his / her interaction with the place, and also with the work that can arise there. Our interaction is the basis of hospitality, and will end non-commitment . But the question remains: How do we do this?

Too many rules and obligations will eventually kill the artistic soul of the artist. But where a framework initially seems in contrast with autonomy, it can also contribute to this, as long as the further elaboration isn’t there. The framework for this Sunday afternoon is hospitality, my interpretation is completely free. The framework allows me to find the creativity to write this text. Without a framework, this text wouldn’t have been established. Without a clear interpretation of the 'how', the artist's own behavior remains central, as a spearhead of artistic research in a guest studio.

The host is responsible for facilitating the guest in his or her needs - for example, conducting a conversation, supporting internal dialogue between guest and guest, offering network in the city’s art discourse and professionalization through facilities in the place itself - and guest to commit to the set framework of the host - such as conducting a public dialogue that provides insight into the working process and contributes to internal sharpening, entering into an internal dialogue between guest (artist) and other guest (critic , writer) and submitting a project plan. Therefore I conclude that unconditional hospitality does not really exist. That giving a key for ultimate freedom, from trusting the guest that he or she will do whatever is necessary, even if this means to demolish the entire space, is no longer unconditionally hospitable. Because this is not what the artist really wants. And this is not sustainable hospitality as experienced by the host.

Or should the guest studio take a next step, and make a sharper choice in identity? To use this in a radical way? Should it stop offering the place to someone on their shortlist, and open it up in a new way? Or should they abandon a framework, so that the walls can be demolished in the end, to leave their own expectation aside? Should they learn to deal with possible non-commitment?

When we zoom out, looking at the world around us, we can challenge unconditional hospitality again. We have to ask ourselves a question: How hospitable do we want to be? To the 'strange other' on the street, who we do not know yet? To our neighbors, the people on the other side of the border, to the ones from another continent and perhaps with a different skin color? Is hospitality in contrast with access restrictions, inclusion and exclusion, or is hospitality, in the end, just pretending - based on self-interest and status quo. And here, the question still remains: Does, or to what extent, will a set condition contribute to more hospitality?

Today we reflect on where we’re standing or where we’re able to stand in 2018. As a small art space, but also as a human being, in the world.

Thank you, Liza

//

Host of debate 

Introduction Mini-Symposium by Gastatelier LEOXIII

 

Gastatelier Leo XIII is an Artist-in-Residence programme that offers (young) artists the opportunity to develop their work and artistry over a period of four months. This year Leo XIII celebrates its 20th anniversary: a good moment to reflect upon the past, and even more so: to look forward to the future.

To re-think our position in the field we asked Liza Voetman to do a four month research into our programme. In her research, 'hospitality' came to the core as a central issue, based on the relationship between the invited guest artist, their autonomy and the guest- and host seen from the perspective of the public, organization and artist themselves. Parallel to this research, two pairs of artists worked in the physical space of the guest studio, in order to research and experience the theme both in a theoretical and practical way. The main question that came up regarding hospitality can be summarized as such: as a host, do you hand over the keys and give the artist the ultimate freedom? Is that a sign of trust that the artist will do whatever is necessary? Or would just handing over the keys be almost the opposite, a gesture of non-commitment from the side of the host? Of not taking care of the artist and just leaving them to their own devices? So first of all what does hospitality mean for a small artist-in-residence as ours?

But by thinking further, we also asked: what does a notion like hospitality mean in a broader, political context? What does hospitality mean regarding, for instance, the refugee crisis? Hospitality in a curatorial situation is one that, according to Beatrice von Bismarck and Benjamin Meyer-Krahmer, ‘implies invitations – to artists, artworks, curators, audiences, and institutions; it receives, welcomes, and temporarily brings people and objects together, some of which have left their habitual surroundings and find themselves in the process of relocation in the sense of being a guest.’ ‘It offers resources to satisfy very different kinds of needs, gives material and physical support, but also responds to a need for recognition, respect, or attention.’ So the first connotations to ‘hospitality’ are normally very positive ones, it conjures mostly to a position of generosity that takes the interests of audiences, artists, and works as guests into consideration. This stems from an idea of unconditional hospitality of the kind Jacques Derrida calls for in Of Hospitality. An update of the open concept of accommodating all those who travel. Understood as an anthropological, fundamental right. But when we apply this concept to the current socio-political situation, we might see another side of hospitality, reflecting key topics evoked in discussions concerning the current migrant situation: the conditions along the borders and accommodations for refugees, including issues of de-contextualization, displacement, and rootlessness, encounters with the foreign and foreign people, the satisfaction of basic human needs, and processes of access restriction, inclusion, and exclusion.

In December 2012 an eponymous conference was held at the Hochschule fur Grafik und Buchkunst (HGB) / Academy of Fine Arts Leipzig around this theme of hospitality. And in 2016, Sternberg published a book stemming from this conference, collecting texts from the different contributors. For this mini-symposium we drew heavy on this book. And two of it’s contributors – Maja Ćirić and Lorenzo Fusi – are also involved in this symposium. But we hope to add a next chapter to this topic. How did hospitality evolve in the years from 2012 on? What does the notion mean now the refugee crisis seems to go on without end? And what can the notion of hospitality mean for a (small) space like Leo XIII, or for spaces that resemble a place like ours?

Taking social-political arguments into account, would we want to get rid of the concept of hospitality completely, as Lorenzo Fusi will plea? Or will there be an alternative in what Maja Ćirić calls ‘internalized hospitality’? What was the experience of Emily Huurdeman as an artist during her two month stay in the residency while this research was done? And what can Esther Schaminée contribute to this discussion as an artist?

December, 2018, December 2019

Metropolis M

Speciale Bijlage Nieuwe Collectie 2018 Metropolis M nr 6. Collectie Nederland editie 2. Over Sean Scully in museum De Pont (Tilburg), aangekocht werk: Landline River (2017). 

Collectie Nederland editie 3. Over Martin Peulen in Stedelijk Museum Breda, aangekocht werk door Dingeman Kuilman (2019). 

December, 2018

Het boek toont een overzicht van alle tentoonstellingen, 200 exposerende kunstenaars en extra activiteiten in de periode 2016-2018. 

Deze ochtend rijdt er welgeteld één dure auto door de straat

Eén fietser in regenjas,

is verlaten en verdwaald

Nu nummer twee, een vrouw in zwart

Ik hoop dat ze haar hart verrast

Maar ze fietst de verkeerde kant op

Podcast: https://soundcloud.com/user-132707164

Een analyse naar Vincent’s schrijven over het leven van het Leven

Eind november, 2019

Het begint in Zundert, we zijn in het jaar 1877

Een selectie van de door Vincent geschreven zinnen is in chronologische volgorde tot een nieuwe tekst verworden. De brieven zijn afkomstig uit het boek Vincent van Gogh. Een leven in brieven door Meulenhoff uitgegeven als pocket editie, waarvan de keuze gemaakt door Jan Hulsker (eerste druk 1980).

 

“[…] Zaterdagavond vertrok ik met de laatste trein uit Dordrecht naar Oudenbosch,

 en wandelde vandaar naar Zundert. De lucht was grauw, maar de avondster scheen tussen de wolken door, en nu en dan zag men ook andere sterren.[1]

// Mijn hoofd is soms dof en dikwijls gloeit het en is mijn gedachte verward – […]. En toch ga ik voort: als wij vermoeid zijn, is het dan niet omdat wij reeds een eind gelopen hebben, en als het waar is dat de mens een strijd heeft op aarde, is dan niet het gevoel van vermoeidheid en het gloeien van het hoofd, het teken dat wij gestreden hebben?[2] Wat de rui is voor vogels […] dat is de tegenslag of het ongeluk, de moeilijke tijd voor ons, menselijke wezens. Men kan in die ruitijd blijven, men kan er ook als vernieuwd uit tevoorschijn komen.[3] In plaats dus van tot wanhoop te vervallen heb ik verkozen voor actieve melankolie, […] of in andere woorden ik heb de melankolie die hoopt en streeft en zoekt, de voorkeur gegeven boven die welke wanhoopt, omdat ze doods en stilstaand is. Je kunt een groot vuur in je ziel hebben en niemand komt zich er ooit aan warmen, en de voorbijgangers zien niets dan een beetje rook boven uit de schoorsteen komen.[4]

 

// [Mij] leek de Franse hemel […] heel wat fijner en helderder dan de hemel in de Borinage, die rokerig en mistig is.[5] Als het niet regent ga ik elke dag naar buiten.[6] Al wat tot het buitenleven hoort, onderzoeken en tekenen. […] Ik sta nu niet meer zo machteloos voor de natuur als vroeger.[7] Hoe mooi die bomen nu zijn, kan ik u niet zeggen.[8]

// Dat de bewustheid van mijn eigen feilbaarheid voor mij veel fouten bewaren zal, neemt niet weg dat ik toch zeker nog erg veel fouten begaan zal. Maar als we vallen staan we weer op![9] Welk artist is er die niet getobd heeft en gescharreld en welke andere weg is er dan die van tobben en scharrelen om te geraken tot vaste grond onder de voeten.[10]

            Ik liep met mijn ziel onder de arm […] drie dagen te Amsterdam, ik voelde me verdomd beroerd. […] Totdat ik uiteindelijk mijzelve zwaar op de hand begon te vinden, en tot mezelf zei: Zoudt ge soms weer melankoliek willen worden?[11] Ik wenste wel dat degenen die het wel met mij meenden, begrepen, dat ’t geen ik doe en laat, voortkomt uit een diep gevoel van, en behoefte aan liefde.[12] De wereld echter redeneert zo niet, en ziet of respecteert nooit de ‘mensheid’ in de mens.[13] De kunst is jaloers en vergt al onze tijd, al onze kracht en dan, wanneer men die eraan toewijdt, door te gaan voor een soort onpraktisch mens.[14] Om te komen tot het waarachtige, moet men lang en veel werken. Wat ik wil en mij ten doel stel is bliksems moeilijk, en toch geloof ik niet dat ik te hoog mik.[15] ’t Is er echter zo mee dat het leven wel eens somber wordt en de toekomst donker, […] en man dus hoe langer hoe meer de grond zich in voelt gaan.[16] Werken is ’t enige wat men doen kan.[17] Wat is er veel triestigheid in het leven, enfin men mag niet melankoliek worden en moet het in iets anders zoeken, […] alleen er zijn momenten dat men zijn rust slechts vindt in ’t bewustzijn.[18]

            Het leven is ook ‘een raar ding’.[19] Wat men voelt daar handelt men naar – onze handelingen, […] ons aarzelen, daar zijn wij aan te kennen, - niet aan wat wij zeggen met de lippen.[20] Het leven op zichzelf keert aan een mens altijd ook een oneindig nietszeggende, ontmoedigende, hopeloos makende, blanke kant toe, waar niets op staat, evenmin als op een blank schilderdoek.[21] Een paar zwakheden zouden me kunnen doen vallen.[22] Maar voor avonturiers zoals ikzelf, geloof ik dat zij niets verliezen door meer te riskeren.[23] In ieder mens die gezond en natuurlijk is, zit als in een graankorrel kiemkracht. En het natuurlijke leven is dus kiemen. Wat de kiemkracht in het graan is, is de liefde in ons.[24] amuseer u liever te veel dan te weinig en til de kunst of liefde evenmin te zwaar.[25] Er zou misschien voor heel wat kunstenaars die verliefd zijn op zon en op kleur, een reëel voordeel zijn om naar het Zuiden te emigreren.[26] er zijn hier hele mooie nachten. Ik heb een voortdurende koortsachtige werklust.[27] meer en meer lijkt het mij dat de mensen de wortel van alles zijn, […] als je bedenkt dat je vrienden hebt onder degenen die evenmin in het werkelijke leven staan.[28]

Ongelukkigerwijs is er vandaag regen die mij verhindert weer tot de aanval over te gaan.[29] Het werken in deze schitterende natuur heeft mij overeind gehouden, maar zelfs daarbij lieten mijn krachten mij na sommige inspanningen in de steek.[30] Midden in het leven van een kunstenaar is er en blijft er en komt er op een bepaalde ogenblikken altijd terug het heimwee naar het ideale leven dat niet te verwezenlijken is. […] En in het diepste wezen komt daar misschien een beetje de ziekte van het hart vandaan, dat zou mij niet al te zeer verwonderen.[31] Het is zeker een vreemd verschijnsel dat alle kunstenaars, dichters, musici, schilders, in materieel opzicht ongelukkig zijn – de gelukkigen ook –.[32] Ik heb altijd het gevoel een reiziger te zijn op weg ergens naartoe, naar een of andere bestemming.[33] Het leven is echter maar kort, en vooral de jaren dat men zich sterk genoeg voelt om alles te trotseren.[34] En in een schilderij zou ik iets troostends willen zeggen, als muziek.[35] ik beweeg me voort als een schilderende locomotief.[36] ik ben er zo van vervuld dat ik mij laat gaan zonder aan enige regel te denken. […] Ik begin me een geheel ander mens te voelen dan toen ik hier aankwam; ik twijfel niet meer.[37] Ik weet niet of je kunt begrijpen dat men poëzie kan maken alleen door kleuren goed te rangschikken, zoals men troostende dingen in de muziek kan zeggen.[38]

            We kennen het leven zo weinig, dat het niet aan ons is om te oordelen over goed en kwaad, over recht en onrecht, en het is nog niet bewezen dat men ongelukkig is doordat men leed ondervindt.[39] Het is sinds heel lang schitterend weer buiten, toch ben ik al twee maanden niet buiten mijn kamer geweest.[40] We hebben enkele schitterende herfstdagen en daar profiteer ik van.[41] het geel gaat vanboven over in roze, in groen.[42] het trachten iets waars te maken, is mij zo dierbaar; ik geloof, ik geloof dat ik nog liever schoenmaker ben dan een musicus met kleuren.[43] Natuurlijk nemen de gedachten van een kunstenaar door het voortdurende werk met het hoofd soms iets overdrevens en excentrieks aan.[44] Ik beschouw het als een schipbreuk, deze reis; je kunt dan niet handelen zoals je wilt en ook niet zoals je zou moeten.[45]

 

Tot spoedig, maak het goed en succes met de zaken.”[46]

 

[1] Etten, 1 april 1877, br. 91.

[2] Amsterdam, 30 mei 1877, br. 98.

[3] Petit-Wasmes, juli 1880, br. 133, Frans.

[4] Idem. 

[5] Cuesmes, 24 september 1880 br. 136, Frans.

[6] Etten, mei-juni 1881, br. 145.

[7] Etten, september (?) 1881, br. 150.

[8] Etten, 12 oktober 1881, br. R.I.

[9]Etten, oktober 1881, br. R 2.

[10]Etten, 19 november 1881, br. 160.

[11]Etten, omstreeks 21 december 1881, br. 164.

[12]Den Haag, 12/13 mei 1882, br. 197.

[13]Den Haag, 14 mei 1882, br. 198.

[14]Den Haag, 4 / 5 juni 1882, br. R. 9.

[15]Den Haag, 21 juli 1882, br. 218.

[16]Den Haag, ca. 2 juli 1883, br. 297.

[17]Den Haag, 22 juli 1883, br. 302.

[18]Hoogeveen, ca. 15 september 1883, br. 324.

[19]Nuenen, 6/7 december 1883, br. 345.

[20]Idem.

[21]Nuenen, oktober 1884, br. 378. 

[22]Antwerpen, begin januari 1886, br. 443.

[23]Parijs, herfst 1886, br. 459 aan H.M. Livens.

[24]Parijs, tweede helft 1887, br. W 1 aan Wil van Gogh.

[25] Idem.

[26]Arles, 18 maart 1888, br. B 2.

[27]Arles, 9 april 1888, br. 474.

[28]Arles, ca. 10/14 april 1888, br. 476.

[29]Arles, ca. 21 april 1888, br. B 4.

[30]Arles, 4/5 mei 1888, br. 481.

[31]Arles, ca. 19 mei 1888, br. 489.

[32]Arles, ca. 25 juli 1888, br. 514.

[33]Arles, 6 augustus 1888, br. 518.

[34]Arles, ca. 26 augustus 1888, br. 527.

[35]Arles, 3 september 1888, br. 531.

[36]Arles, 9 september 1888, br. 534.

[37]Arles, 18 september 1888, br. 539.

[38]Arles, ca. 16 november 1888, br. W 9.

[39]Saint-Rémy-de-Provence, 6 juli 1889, br. 599.

[40]Saint-Rémy-de-Provence, 19 september 1889, br. W 14.

[41]Saint-Rémy-de-Provence, 5 oktober 1889, br. 609.

[42]Saint-Rémy-de-Provence, ca. 20 november 1889, br. B 21.

[43]Saint-Rémy-de-Provence, 10/11 februari 1890, br. 626.

[44]Saint-Rémy-de-Provence, ca. 20 februari 1890, br. W 20.

[45]Saint-Rémy-de-Provence, 2 mei 1890, br. 630.

[46] Auvers-sur-Oise, 24 juli 1890, br. 651.

February, 2018

November - December 2019

March, 2020

Column

Sundaymorning@ekwc Special Case

 

De afgelopen twee weken dacht ik geregeld na over tijd. Tijdens mijn bezoek aan deze plek had ik tijd als afwezig ervaren, iets wat zich zelden aan mij voordeed. Het deed me denken aan een tekst van schrijver Rüdiger Safranski. Die gaat zo: “Onder […] tijdsdruk verandert de tijd in en soort entiteit die je als een object kunt behandelen door hem in stukjes te knippen, te verspillen, productief te maken, te exploiteren” (Safranski, 2014: 89-90). Die ochtend waren alle treinen gecanceld, behalve de stoptrein Tilburg-Oisterwijk die er slechts vier minuten over deed. In die vier minuten had ik de kloktijd praktisch besteed. Ik kon drie mails lezen en een planning maken voor de verdere dag. Daarna liep ik op hakken over het gladde ijs en keerde de mails mijn rug. Ik was hier om tien uur aangekomen in de sneeuw.

 

*

 

Eenmaal binnen werd het buiten donker, ondanks de vroegte van de dag. Tijd leek hier een ander fundament te kennen: er was zo ontzettend veel werk te doen, zo had ik Ranti’s woorden in mijn hoofd geknoopt. “En nu weer aan het werk, allemaal!”, zei hij opgewekt na drie korte pitches op de gebruikelijke woensdagmorgen. Het was waar dat om ons heen de tijd hier snelde. Er was zo ontzettend veel werk te doen en toch leek de tijd niet chronologisch, leken uren hier in minuten te veranderen en waren processen geen dingen die zich lieten reduceren als vaste treden van een trap, chronologisch naar boven. In plaats daarvan leek tijd een horizontaal parcours waarin je deelnam en het tegelijkertijd ook aan je voorbij liet gaan, omdat het vast ook voor jou te snel ging.

     Dan was het weer avond, je benen moe, je hoofd vol, misschien zou je er zelfs wel over dromen. De volgende ochtend ging je door. Je ging de tijd áán, niet bang erin te springen. Ik moet denken aan een boodschap die de Nederlands – Californische kunstenaar Bas Jan Ader al voor ons had. Wanneer we onze angst omzetten als noodzaak voor het wagen van de sprong, hoeven we niet meer bang te zijn om te vallen. Zoals Ader schreef: “Er is geen zwaartekracht.”[1]

 

*

 

Ik voelde mij hier als bezoeker zoals jij jezelf als medewerker beschreef. Binnendringend in het leven van anderen dat doorging, en waar ik even in mocht zijn, zoals jij er iedere dag even deel van was, maar voor het avondeten nog naar huis toe reed, wanneer een werkdag weer was besloten. Met mijn notulenboekje in mijn hand vergat ik hier te schrijven. Dat gebeurde mij nooit. Hevig pende ik altijd mee, haastend door expositiezalen. Met spoed, onleesbaar schrijvend om geen detail over het hoofd te zien waar voor mijn gevoel woorden aan toegekend moesten worden. Later vormde ik van mijn notulen dan een verhaal.

     Misschien voelt dit zo, maar deze tekst ontstond heel anders. Ik vergat het fundament waarop ik doorgaans werkte, terwijl ik hier aanwezig was. Ik vergat mee te schrijven tijdens mijn eigen denken te midden van deze grote loods.

     Om mij heen was de ruimte gevuld met een werklust van zestien werelden. In die grootsheid ben je heel klein, misschien daarom dat ik er vooral moest landen. Ik vroeg of die grootsheid je kon bedrukken, beknellen, verzanden wellicht. Wanneer alles immers kan, wat moét dan nog werkelijk? En kan dat wat je moet praktisch eigenlijk wel?

 

*

 

Het was de informaliteit die me als eerste opviel tijdens mijn bezoek. In de formaliteit van het instituut was externe druk teruggebracht tot jouw individuele verwachtingen. In een leven dat kunstenaars, denkers en ontwerpers van heinde en verre voor drie maanden verkiezen boven de eigen eetkamer – thuis. Je kiest hier voor die open houding, voor onderzoek naar nieuwe aanrakingen: een kennismaking met een medium dat je uitdaagt weer te spelen, net zoals een kind.

     Die aanraking bestaat niet enkel van subject tot subject, maar ook in onze verhouding naar de objecten, de dingen rondom. Als we kijken naar elkaar en naar de objecten hier aanwezig, kunnen we ermee kennismaken, in een veelheid aan verschillende culturen, omgangsvormen en benaderingen van klei.

     Je handen in de logge homp voor je, je begint te kneden.

 

*

 

Die ochtend dronken we koffie in de gemeenschappelijke keuken. Het was filosoof en socioloog Habermas die schreef[2] dat achttiende -eeuwse koffiehuizen condities leggen voor het voeren van gesprekken; om het eigen denken te verruimen, waar ik nippend van mijn koffie aan dacht. Door middel van gesprek, ontvouwen wij er onze eigen identiteit.

     Het drinken van koffie in een gedeelde plek bestaat al lang, ook in Sundaymorning@ekwc is het al vijftig jaar haar basis. En ondanks dat Habermas doelde op publieke plekken en hij zijn tekst in 1962 schreef, deze gemeenschappelijke ruimte afgesloten is- van en in de eenentwintigste eeuw bestaat, steunen beide fundamenten op gemeenschappelijkheid: een eigen infrastructuur van sociale interactie om in te bouwen.

 

*

 

Vroeger konden mensen gelijkwaardig zijn in publieke badhuizen. Vaak denk ik dat het heilige verbindingswater ons nu ontbreekt.

     Sundaymorning@ekwc’s keuken, als koffieruimte, dinerplek, ochtendverwelkoming na je slaap, is het gebied buiten de eigen studio’s en slaapkamers waar individuele focus gepaard gaat met samen-zijn. Hier hebben we het water teruggevonden.

     Zoals de hottube van Tim Breukers als object condities legt om als plek te kunnen zijn, waarin het subject ook zou kunnen netwerken, of daten, misschien. Tegelijkertijd creëert het een moment van nutteloosheid, schept het ruimte waarin de beste ideeën ontstaan, daar in die eigen-tijdsbeleving, zoals elke avond in de keuken. Juist om de efficiënte van alledag te mijden. Wat ook deze avond ons hopelijk biedt.

      De gedeelde ruimte is een context voor ontmoeting. De handeling die we er verrichten, gezamenlijk te eten en drinken, al de gehele mensheid van groot belang.

     Foucault zei het al[3]. Het zijn juist de ruimtes die zich aan de zijlijn van het bestaande opereren, waarin we een breuk met de traditionele tijd kunnen ervaren, en we kunnen spiegelen hoe sociale relaties werken. Hier, in zijn Heterotopia.

 

*

 

In de treinreis terug dacht ik aan de lijnen van een kleurplaat. Met het aangegeven vlak wordt zo een ruimte gedefinieerd. Het zijn kaders om het goed te doen. Een analytisch kind laat zich door de verdeling van vlakken begeleiden, en stemt zijn of haar keuze voor een selectie kleurpotloden zorgvuldig af. Ik was zo’n kind. Ik wist dat handen, hoofd en nek dezelfde vale lijfkleur moesten krijgen, zoals mij in het leven zelf werd voorgedaan. Kleurde mijn hand buiten die lijn, was mijn tekening mislukt. Hetzelfde ervaarde ik tijdens het strikken van mijn veters, beide lussen even lang, en het puzzelen van drie houten vormen – een vierkant, rechthoek en cirkel – die slechts op één manier door een deksel in hun doosje pasten: door het goed te doen. Met een voorbeeld aan mijn ouders leerde ik de wereld kennen. Het hoefde niet altijd goed te gaan, maar in een systeem als kleurplaat, leek er weinig restruimte om ook gewoon te krassen.

 

*

 

Hoe zou het voelen om weer kind te zijn, opgevoegd te worden door kennis, maar in die opvoeding geen zekerheid te krijgen? Het is een belangrijke voorwaarde voor de gelijkwaardigheid waar ik vandaag over spreek. Want ondanks de hier aanwezige kennis, is zij geen leermeester die zegt ‘hoe het werkt’, zoals mijn ouders leerden hoe ik veters het mooiste moest strikken. Wat jij wilt, bepaal jij. Waar jij uit wil komen, óók. Zoals David Zink-Yi een octopus realiseerde, te pletter gooide, het intens realistische beeld – een platte, dooie octopus aan wal –  verkocht, en het beeld daarna in een oplage van zestien octopussen mocht reproduceren, om aan musea en privéverzamelaars te verkopen. Hoe interessanter, ingewikkelder en onmogelijker de idee hoe beter, zolang de machines maar niet doorslaan.

     Wanneer er een verwachting op dit proces zou worden gelegd, zouden deze relaties uit balans worden gebracht. De verwachting die heerst, ben jij zelf.

     Onvoorwaardelijke vrijheid is niet altijd gastvrij, daarvoor is een gemeenschappelijk fundament nodig van waaruit wordt geopereerd, als kader: zoals een kleurplaat met lijnen, juist om te krassen. Beginnend bij deze plek.

 

*

 

Toen ik twee weken geleden tegenover het keramieken werk van de Chinese kunstenaar Jin Cho Hyang stond, werd mij verteld dat dit werk voor de kunstenaar ‘niet esthetisch’ was. Ik keek naar het spel van sierlijke krulvormen, cirkelvormige figuren die zorgvuldig in elkaar waren gevlochten en samen een perfect rechthoeken beeld vormden. Wanneer één spiraal uit het geheel zou breken, wat nog niet was gebeurd – enkelen waren enkel minder perfect dan de rest (en dus was het beeld volgens Jin’s begrippen niet esthetisch) – dan zou de massa, het systeem, standhouden. Met het wegvallen van één individu, stort het systeem dus niet in, maar beweegt zich voort.

 

Elke avond dineren hier zestien residenten, al vijftig jaar op rij.

Valt er één iemand weg, is dat zichtbaar aan een gedekte tafel.

Een stoel blijft dan leeg,

valt op.  

 

Ik ben blij dat Jin dit heeft kunnen ervaren.

 

Dank jullie wel!
 

 

 

Referenties

 

Foucault, M. (1984). Of Other Spaces: Utopias and Heterotopias. Geraadpleegd van

            http://web.mit.edu/allanmc/www/foucault1.pdf

 

Habermas , J. (1991). The Structural Transformation of the Public Sphere. Cambridge,

            Massachusetts: The MIT Press.

 

Safranski, R. (2014). Tijd. Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden. Amsterdam: Atlas Contact.

 

[1] In Ader’s gevonden notulenboekje stond heel klein, en ergens tussen het verdere Engels, dit éne Nederlands zinnetje geschreven

[2] Habermas, 1991

[3] Foucault, 1984

 

//

Research

April - August, 2017

‘PLAY OF ADVICE’ (1996) A Bildungsreise to the Value of Public Art

 

A thesis submitted to the Faculty Humanities for the degree of Master of Arts within the Programme of Art, Media & Society at Tilburg University.

This thesis analyses the work of art Play of Advice (1996) by Joseph Kosuth, which is situated in the railway station of Eindhoven, the Netherlands. The analysis consists of five parts: the history, context, artist, artwork, and passant. The case study of Play of Advice concerns current issues about public space (the increasing control of openness and accessibility), the value of art in this public space of the city, and the possible importance of the artist’s autonomy here. It is shown that Play of Advice lets the ordinary passant experience something unusual, and therefore interrupts the dominant structures/conventions of the current time with its socio-political message. The autonomous value of this artwork has been reinforced with time, and makes clear that artworks can grow into city icons over time. However, since contemporary public artworks increasingly occur in a professional context by commissions, this examination reveals that it is important to maintain the intrinsic intent of the artist above social requirements.

 

Keywords: public space, public art, autonomy, engagement, public art policy, city’s image, Eindhoven, railway station, play, intervention

March - June, 2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OUT OF THE BLUE (Ned) is een interactief onderzoek dat in de periode maart-juni 2018 is uitgevoerd door Liza Voetman in opdracht van Gastatelier Leo XIII te Tilburg. Het onderzoek biedt inhoudelijke sturing aan de koers die Gastatelier Leo XIII de komende jaren in kan slaan. Middels vier hoofdstukken brengt het onderzoek in kaart wat de interne- en externe waarden van Gastatelier Leo XIII zijn voor zowel de stad Tilburg als voor de gastkunstenaar- en het algehele kunstdiscours. Ieder hoofdstuk kent een eigen onderzoeksmethode, bestaande uit een theoretisch kader, veldonderzoek door middel van interviews en empirische registratie. Dit onderzoek resulteert in een hanteerbaar toekomstscenario voor Gastatelier Leo XIII, maar fungeert tevens als informatieve rapportage over waardebepalingen van AiR’s in Nederland voor in omvang soortgelijke kunstinitiatieven.

 

Sleutelwoorden: Artist in Residence, gastatelier, kleine kunstinitiatieven, artistiek onderzoek, waardebepaling, autonomie, heteronomie, care, hospitality, kunst- en cultuurbeleid

Samenvatting 

Met het deel ‘gast’ in het begrip ‘gastatelier’ wordt onmiddellijk de selectiemethode voor gastkunstenaars van Gastatelier Leo XIII geduid. Het ligt in het begrip besloten dat Gastatelier Leo XIII geen gebruik maakt van open calls. De gastkunstenaar ontvangt de plek – een fysieke woon- en werkruimte voor een duur van vier maanden – overwegend vanuit een open en niet- gekaderd aanbod. De gastvrijheid van waaruit de organisatie opereert, berust daarmee op het ontvangen en onderhouden van de gastkunstenaar middels deze fysieke ruimte voor artistiek onderzoek. Gezien de organisatie geen druk op de gastkunstenaar wil uitoefenen, vanuit een grote waarde toekenning in diens autonomie, is een werkkader in Gastatelier Leo XIII nog lastig te definiëren. Terug refererend naar de inleiding van dit onderzoek lijkt de koers daarmee gezet: Deze geboden vrijheid zou namelijk de basis kunnen vormen van de huidige ervaren vrijblijvendheid door de organisatie; van waaruit dit onderzoek is ontstaan. Vrijheid kan immers omslaan in vrijblijvendheid, en ondanks het feit dat de organisatie geen druk op het artistieke proces van de gastkunstenaar wil uitoefenen, lijkt een werkkader voor de gastkunstenaar enkel positief. De vrijblijvende omgang- met wordt namelijk ook door de gastkunstenaar vanuit de organisatie Leo XIII zo ervaren- en herhaaldelijk als aandachtspunt aangekaart. De ervaren vrijblijvendheid werkt dus twee kanten op. De vraag die daarbij komt kijken, is of – en in hoeverre –  condities wellicht kunnen bijdragen aan méér vrijheid?  

In de aard van het gastatelier zit de mogelijkheid tot twijfel. Experiment – hetgeen het gastatelier in haar kern faciliteert, in tegenstelling tot de meer geïnstitutionaliseerde kunstcontext – verschaft nooit zekerheid (en het gastatelier beoogt dit evenmin). De gastkunstenaar hoeft daarbij niet te voldoen aan bepaalde eisen, ook niet aan die van de organisatie: aangezien er geen verwachtingen worden uitgesproken. Toch koestert Gastatelier Leo XIII een sterke wens te groeien (niet zozeer in omvang, maar wel in status- en bereik, en dus in zichtbaarheid): als plek an sich niet stil te staan. Voor een betekenisvol toekomstscenario en voor de gewenste groei, is structuur dan ook niet weg te denken, opdat beide partijen – organisatie en gastkunstenaar – op hun best kunnen functioneren. Gastatelier Leo XIII wil daarbij vooral meer duidelijkheid verkrijgen omtrent de eigen selectiemethode in gastkunstenaars, die zij tot op heden vanuit een vrij beperkt zoekkader heeft uitgenodigd (eigen scope), en inherent daaraan de artistiek-inhoudelijke programmering. 

In de groeiwens van Gastatelier Leo XIII speelt de invulling van de werkperiode door de gastkunstenaar een belangrijke rol: gezien deze bepaalt wat het publiek van Gastatelier Leo XIII te zien krijgt, wie zich aan het gastatelier bindt en hoe het gastatelier zich profileert. Allereest is voor groei echter een wederzijds commitment tussen gastkunstenaar- en organisatie naar de fysieke plek nodig, oftewel: een gedeelde care. Zonder commitment kan er sneller vrijblijvendheid vanuit de gastkunstenaar optreden. Een mogelijke stagnatie van groei is dan ook toe te wijden aan de onduidelijke grip van de organisatie op de eigen inhoudelijke programmering, en het daarbij uitblijven van een duidelijk ervaren care door de gastkunstenaar: gezien er door de organisatie van een kader wordt ontzien. In andere woorden: het is voor de gastkunstenaar onduidelijk waartoe hij zich vier maanden verhoudt. Enkel wanneer je identiteit duidelijk wordt gecommuniceerd, kan het gastatelier – vanuit een goede omgang- en invulling van de gastkunstenaar met- en naar de geboden context – groeien. Deze groei dient te gaan ontstaan vanuit een sterke programmering: een taak die in haar kern bij de organisatie ligt, niet zozeer bij de kunstenaar. De gastkunstenaar geeft er vervolgens gehoor aan middels de invulling van de werkperiode. 

Om een visie te ontwikkelen achter de artistiek-inhoudelijke programmering, voor een duidelijke identiteit, is dit onderzoek vertrokken vanuit de subsidieaanvraag van het Gastatelier Leo XIII bij het Mondriaan Fonds en gemeente Tilburg (2016). In de aanvragen stelt Gastatelier Leo XIII vast zich te richtten op publieke dialoog (debatten, symposia) omtrent de attitude van de kunstenaar in de huidige tijd. Dit is haar onderscheidende kwaliteit, en de focus van de beoogde groei bestaat daarmee als een actieve voortzetting van deze dialoog [lees: tussen de gastkunstenaar en schrijver-, onderzoeker-, curator-, criticus-, theoreticus en andere kunstenaar]. Publieke dialoog biedt inzicht in het werk- en denkproces ván de gastkunstenaar en verscherpt tevens het interne, artistieke proces vóór de gastkunstenaar. De dialoog werkt dus positief twee kanten op (voor de kunstenaar en ontvanger: het kunstdiscours).  

Dialoog ontstaat echter niet vanzelf. Hier ligt een grote rol voor de organisatie. Dit is in de huidige organisatiestructuur lastig te verwezenlijken door (1) de interne onduidelijkheid omtrent taken- en planningen, anderzijds door (2) de omgang die de organisatie naar de gastkunstenaar wil hebben: zonder druk, uitgaande van autonomie. Voor een duidelijke identiteit waar dialoog een onderscheidende kwaliteit is, wat door de benaderde gastkunstenaars enkel als positief wordt ervaren (dialoog helpt uitspraken te doen en maakt stappen scherp), dient dialoog als sterkere werkvoorwaarde naar de gastkunstenaar gecommuniceerd te worden. Publieke dialoog betekent het bieden van een kader, als een open richtlijn die nader door de gastkunstenaar wordt ingevuld. Het bieden van dit kader, en dus van zekerheid- en het maken van een keuze in identiteit, is positief: mits de invulling van de gestelde dialoog op merites van de kunstenaar bestaat (en niet te erg wordt opgelegd). De organisatie dient deze dialoog dan ook vooral actief te faciliteren in de structurele programmering, wat zorgt voor een gewenste professionaliseringsslag en groei. 

De beoogde dialoog kan zoals gezegd niet (in gelijke mate) als vereiste worden opgelegd aan gastkunstenaars, gezien het gastatelier uitgaat van verschillende kunstenaarsmentaliteiten- en stadia in het maakproces, werkend vanuit autonomie. Er kan daarbij ook geen duidelijke invulling van ‘hoe’ worden verwacht van de gastkunstenaar, gezien deze gedragingen in de fysieke plek juist speerpunt zijn voor onderzoek, en wederom voor de beoogde groei van de plek. Door een wisselende adviescommissie, bestaande uit schrijvers-, critici-, moderators-, theoretici en andere kunstenaars, wordt de programmering van Gastatelier Leo XIII divers en fluïde, gezien je telkens interessante koppelingen naar binnen haalt voor een artistiek-spannende dialoog. Op deze manier bouwt de scope van organisatie Leo XIII zich uit en blijft de focus van de plek geconcentreerd op de inhoud. Om veelal diverse omgangen- en ontwikkelingen in de plek te omarmen, is het taak afwisselend te programmeren. Dit kan worden verwezenlijkt middels een programmering afgestemd op de seizoenen. Op die manier past er een brede scope gastkunstenaars in de identiteit van Leo XIII, en kan zowel interne (winter) als externe (zomer) publiekheid onder gebracht worden in de programmering. Dialoog tussen kunstenaar- en theoreticus (o.a.) staat daarbij alom centraal, ingevuld vanuit het stadia waarin de kunstenaar zich verkeert en waar hij of zij behoefte aan heeft. De nadere uitwerking van het concrete toekomstscenario voor Gastatelier Leo XIII lees je in H.4 van OUT OF THE BLUE.